Ik heb deze film negenenveertig keer gezien, maar dat is niet waarom hij mij kent. Het speelt zich af in een land dat niet mijn eigen is, in een tijd die ik mij enkel kan inbeelden. Mysterieuze dingen overkomen families in tegenstelling tot families die ik ken en het is nog altijd mysterieus bij een vijftigste bezichtiging, terwijl ik exact weet wat komen gaat, en wanneer, en elke zin. Ik ben een meisje gescheiden van haar gezin door oorlog, een vluchteling geadopteerd door vreemden eveneens op de vlucht. We leven een ondergedoken bestaan van nachtelijke overtochten. Ik ben een kind met een stomp kapsel en droevige, stralende ogen, losgerukt en beroofd van haar kindsheid en haar thuis, wiens enige overtreding is dat ze meer van haar nieuwe familie houdt. Ik hoop dat mijn echte ouders en mijn drammerige kleine zus mij nooit zullen vinden. De film bekijkt mij. Hij vraagt zich af of ik ze dood wens. Hij leert mij beter kennen. Het flikkerende scherm werpt zijn brede stralen de duistere bioscoop in, zoekend naar iemand met links en rechts een lege stoel en ziet ons voor wie we zijn, en toont ons hetgeen we zien. De acteurs zijn allemaal amateurs. Ze acteren als een willekeurig iemand die je misschien op straat tegenkomt, en strompelen door hun scènes hopend dat de script hen zal redden, maar de film is een prof. Hij triomfeert altijd aan het eind, maar soms komt het einde voortijdig. Wanneer moeder vanavond de soep maakt, in een kan boven een open vlam, weet ik dat er niets anders dan uien in de bouillon zitten, de hardst werkende uien ooit uit de aarde getrokken, bleke plakjes om al de liefde te dragen die ik verloren heb. Vanavond bezorgen ze mij tranen. Ik sta op en strompel richting het uitgangsbordje. Er is hier geen oorlog in de kleurige gangen van dit bioscoopcomplex, maar er zijn wel vluchtelingen. Misschien wordt het tijd om naar huis te gaan.

© Dennis Keizer 2008